PORTFOLIO

Portfolio

door Ilse Bos 20 maart 2025
Wat doet overmatig beeldschermgebruik met de ontwikkeling van jonge kinderen? Is er een grens aan te wijzen vanaf wanneer het schadelijk is? Vragen waar menig ouder met jonge kinderen zich over buigt. Het is een omstreden onderwerp waar nog veel onderzoek naar gedaan moet worden. Toch zijn er wel enkele, zorgwekkende inzichten. Of het nu om de TV, een tablet, laptop of telefoon gaat, ook jonge kinderen kijken steeds meer schermen, alleen of samen met hun ouders. Tegelijkertijd maken jeugdartsen zich met name zorgen over de blootstelling van jonge kinderen aan ‘dichtbijschermen’, zoals smartphones en tablets. Steeds vaker moeten zij kinderen doorverwijzen naar de oogspecialist, omdat er twijfels zijn over het zicht en het kind mogelijk bijziendheid ontwikkelt. Ondanks dat enkele onderzoeken over positieve effecten spreken, zijn er ook steeds meer aanwijzingen dat overmatig beeldschermgebruik negatieve gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van jonge kinderen, zoals de taalontwikkeling, het vermogen om aandacht vast te houden en de sociale vaardigheden. Bovendien lijken steeds meer kinderen bijziend te worden en op jonge leeftijd een bril nodig te hebben.  Toename beeldschermgebruik In Nederland brengen jonge kinderen (van 9 maanden tot en met 6 jaar) dagelijks gemiddeld 1 uur en 51 minuten door met digitale media, blijkt uit gegevens van 900 huishoudens die meededen aan het Iene Miene Media-onderzoek van Netwerk Mediawijsheid, waar onder andere Hogeschool Windesheim en het Trimbos-instuut bij zijn aangesloten. Zelfs baby’s (tussen 9 maanden tot 1 jaar oud) besteden gemiddeld al anderhalf uur per dag aan digitale media . Ze kijken filmpjes, spelen spelletjes, (video)bellen, of luisteren naar verhaaltjes. Peter Nikken, lector jeugd en media bij Windesheim Hogeschool, heeft deze cijfers vergeleken met ruim 30 jaar terug. ´In 1988 keek het gemiddelde kind tussen 3 en 5 jaar zo´n 40 minuten televisie per dag. De schermtijd is sindsdien dus bijna verdrievoudigd.’ En dat is, door de komst van mobiele telefoons, tablets en laptops in de Nederlandse huishoudens, ook weer niet zo verrassend. Voordelen Vanaf de leeftijd van 2 jaar kunnen kinderen daadwerkelijk wat leren van het kijken naar filmpjes. Veel filmpjes zijn leerzaam: vooral slow-tv, zoals TikTak of het nostalgische Sesamstraat. ´Educatieve televisieprogramma’s, als Dora, Sesamstraat of het Zandkasteel, kunnen een positieve invloed hebben op de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen van 2 tot 6 jaar. Met name kinderen met een achterstand of met een beperkte opvoedomgeving kunnen baat hebben bij meer kwalitatief hoogstaande educatieve programma’s of filmpjes´, is te lezen in de door jeugdartsen opgestelde factsheet ´beeldschermgebruik van dichtbij´ . Ouders worden er relaxter van en dat komt wellicht de opvoeding ten goede. Bovendien pikken veel kinderen de Engelse taal snel op. Hoewel er enkele onderzoeken wel van deze voordelen spreken, zijn er tegelijkertijd ook veel aanwijzingen dat deze schermtijd ten koste gaat van de ontwikkeling van andere, belangrijke vaardigheden. Interactie-momenten Voor een gezonde, sociale ontwikkeling is het belangrijk dat kinderen voldoende interactie hebben met andere mensen, vooral in de eerste levensjaren. Schermen kunnen deze interactie niet volledig vervangen, zeggen experts. Een grootschalig onderzoek in Australië keek naar de gevolgen van schermgebruik op de taalontwikkeling van jonge kinderen. De Australiërs volgden 222 huishoudens voor twee jaar lang en maakten daarvoor audio-opnames per halfjaar. De schermtijd werd per gezin bijgehouden, net als de sociale contacten met ouders en andere mensen. Wat bleek: Voor elke minuut dat er een scherm aanstond, sprak een kind vijf woorden minder uit en hoorde het zeven woorden minder van een volwassene die in dezelfde ruimte aanwezig was. Ook liep een kind bij elke minuut schermtijd een ouder-kind interactie mis. De aandacht is dus simpelweg ergens anders, en dat lijkt gevolgen te hebben voor de taalontwikkeling en sociale interacties. Bijziendheid Redacteur psyche & brein Kaya Bouma van de Volkskrant stipte in de podcastreeks ´Ondertussen in de kosmos´ over ´schermzombies´ op 25 november 2024 een andere, grote zorg aan onder wetenschappers. Steeds meer kinderen lijken op vroege leeftijd bijziend te worden. Volgens het Oogfonds hebben 50% van de jongeren in Nederland er last van. De oogbol wordt dan langer en de lichtstralen die het oog binnenvallen komen te snel samen door de sterke brekingsindex. Het brandpunt ligt dan vóór het netvlies. Ook in andere landen zien onderzoekers meer kinderen met deze bijziendheid, ofwel myopie genoemd. Myopie is de snelst toenemende oogafwijking wereldwijd. Vooral in Azië is het probleem groot: 90% van de tieners en jongeren heeft een myopie die gecorrigeerd moet worden. Sommige wetenschappers spreken zelfs van een komende ´myopie epidemie´. Is de oorzaak van myopie dan uitsluitend het beeldschermgebruik? Vermoedelijk komt dit ook doordat steeds minder kinderen buitenspelen. Een Engelse onderzoek laat zien dat in 2022 slechts 27 procent van de kinderen regelmatig buiten speelde. Twee generaties terug, van de babyboomers, was dat nog zo´n 80 procent . Zonlicht beschermt kinderoog Zonlicht beschermt het oog namelijk tegen het ontwikkelen van bijziendheid. Want door contact met zonlicht komt de neurotransmitter dopamine vrij in het netvlies en de hersenen, wat de normale vorm van het netvlies in standhoudt. Vitamine D, dat het lichaam aanmaakt zodra het in contact komt met zonlicht, zorgt voor versterking van de oogweefsels en een goede traanafgifte. "Voor jongere kinderen van wie de ogen nog in ontwikkeling zijn, helpt tijd doorbrengen in de buitenlucht om overmatige verlenging van de oogbol te voorkomen", zegt de Amerikaanse oogchirurg Chase Ludwig van de Californische Stanford University. Uit grootschalig Chinees literatuuronderzoek bleek verder dat een uur buitenspelen per dag het risico op myopie verlaagde met 45% . Oefenmomenten Kaya Bouma benadrukt in de Volkskrant podcast dat genoeg ´oefenmomenten´ voor het oog van belang zijn om bijziendheid te voorkomen. Het oog krijgt pas rust met ver weg kijken, dus nog een reden waarom naar buiten gaan helpt. De leefstijlregel van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid is ´20-20-2´, bij elke 20 minuten dichtbij kijken is het aan te raden het oog rust te geven met 20 seconden ver weg kijken. Overigens geldt dit dus ook bij een boek lezen. De laatste 2 staat voor 2 uur buitenspelen per dag, onafhankelijk van het aantal uren schermtijd. Het is belangrijk om de regel toe te passen vanaf jonge leeftijd tot ongeveer 25 jaar, omdat het oog in die periode groeit, aldus het Oogfonds. Geen schermtijd onder 2 jaar Door de toegenomen bijziendheid hebben steeds meer kinderen al op jonge leeftijd een bril nodig. Maar een bril of contactlenzen lossen dit probleem niet altijd op, vooral niet op de lange termijn, zegt het Oogfonds. Doordat het oog te lang groeit kunnen er op latere leeftijd ernstige oogaandoeningen ontstaan, zoals macula degeneratie of mogelijk zelfs blindheid. Jeugdartsen wijzen ouders daarom ook op de richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO): tot 2 jaar zo min mogelijk schermtijd en tot 5 jaar maximaal 1 uur per dag. In de praktijk wordt deze richtlijn dus te weinig aangehouden door ouders, met alle gevolgen van dien. Uit onderzoek onder jonge ouders in Den Haag, op initiatief van een jeugdarts in samenwerking met GGD Haaglanden , blijkt dat ongeveer een op de vier ouders van een baby of dreumes (0 tot 2 jaar) desgevraagd wist wat de geadviseerde schermtijd was voor hun kind. Maar bijna 80 procent van de ouders van jonge kinderen zei ook niet te weten wat de negatieve gevolgen van schermtijd zouden kunnen zijn. Dat is een zorgwekkende conclusie. Oplossing: landelijke richtlijn? De vraag is dus hoe de negatieve gevolgen van teveel schermtijd moeten worden aangepakt. De Zweedse en Franse overheid hebben afgelopen jaar een advies afgegeven over beeldschermgebruik bij kinderen. In Zweden geldt nu het advies aan jonge ouders: geen schermtijd tot 2 jaar en tieners mogen maximaal 3 uur schermtijd per dag. In Frankrijk raadt een door president Macron ingestelde commissie wetenschappers zelfs tot 3 jaar alle beeldschermen af. In Nederland ontbreken landelijke richtlijnen over beeldschermgebruik bij kinderen. Staatssecretaris Karremans van Jeugd, Preventie en Sport overweegt om ‘waar nodig richtlijnen en adviezen aan te scherpen en op te stellen over gezond schermgebruik’, was te lezen in een artikel van de Volkskrant op 21 november 2024 . Hij wacht eerst de uitkomsten van twee onderzoeken rondom dit onderwerp af. Dit artikel verscheen op 19 maart 2025 in het Technisch Weekblad , in printvorm en online.
door Ilse Bos 6 maart 2025
Er is nog weinig bekend over mogelijke veranderingen in de hersenen van ME/CVS-patiënten. Onderzoek hiernaar is lastig omdat hersenweefsel van mensen met ME/CVS moeilijk toegankelijk is. De Nederlandse Hersenbank zet een donorprogramma op om onderzoek naar de stressreactie in hersencellen bij ME/CVS mogelijk te maken. De ME in ME/CVS, Myalgische Encefalomyelitis, staat voor het 'met spierpijn (myalgie) gepaard gaande ontsteking van het ruggenmerg (myelitis) en/of de hersenen'. Er is echter nog weinig bekend over veranderingen in de hersenen van ME/CVS-patiënten. Daar willen prof. Inge Huitinga en dr. Felipe Correa da Silva van de Universiteit van Amsterdam verandering in brengen. 'We weten nog weinig over wat er gebeurt in de hersenen van ME/CVS patiënten omdat het lastig is om aan hersenweefsel te komen van mensen met ME/CVS. Daarom hebben we vanuit de Nederlandse Hersenbank een donorprogramma opgezet om zo veel mogelijk ME/CVS patiënten te registreren die na hun overlijden hersenweefsel doneren voor wetenschappelijk onderzoek. We werken daarvoor intensief samen met ME/CVS-patiëntenverenigingen', aldus Huitinga. Hersendonorprogramma Om te weten te komen of veranderingen in de hersenen neurologische symptomen veroorzaken, gaan Huitinga en Correa da Silva het hersenweefsel in detail onderzoeken de komende vier jaar. Huitinga: 'We kijken naar veranderingen in het afweersysteem en afwijkende stressreacties in de hersenen. Ook is het energiemetabolisme in de hersenen mogelijk aangetast. Daarom gaan we in detail naar deze mechanismes kijken.' Door in een hersendonorprogramma hersenweefsel te verzamelen kan nader onderzoek worden gedaan. Dit leidt tot meer kennis over het mechanisme en mogelijk ontstaan van deze ziekte en kan daarmee helpen de diagnose en behandeling te verbeteren, wat relevant is voor patiënten, artsen en onderzoekers. 'Al eerder registreerden 19 mensen met ME/CVS zich als hersendonor bij de Nederlandse Hersenbank. Sinds de start van het onderzoeksproject in 2023, hebben we daar zo'n 22 nieuwe registraties bij gekregen. Met flyers, een website en artikelen in patiënten magazines willen we de aandacht voor het hersendonorprogramma vragen en zo meer donoren werven. Als meer dan 1.000 mensen met ME/CVS benaderd zijn, zou dit ongeveer 200 donorregistraties moeten opleveren. Want slechts 1 op de 5 mensen schrijft zich ook daadwerkelijk in als hersendonor, blijkt uit ervaring van de Nederlandse Hersenbank. Van 200 hersendonoren met ME/CVS zullen gemiddeld 5 personen per jaar komen te overlijden. Het is belangrijk dat we direct na overlijden toegang hebben tot het hersenweefsel om goed onderzoek te kunnen doen naar opgetreden veranderingen in de hersenen', zegt Huitinga. Energiefabrieken 'Het eerste onderzoek met hersenweefsel, van enkele donoren met ME/CVS, heeft inmiddels plaatsgevonden. We zien verschillen in vergelijking met gezonde hersendonoren. Ook zien we duidelijke veranderingen in hersengebieden die te maken hebben met de aansturing van stressreacties bij mensen met ME/CVS in vergelijking met gezonde hersendonoren. Dit zijn de eerste waarnemingen en we moeten deze nog bevestigen bij meer hersendonoren. Veranderingen in stressreacties kunnen hun weerslag hebben op de energiehuishouding in de cellen. Langdurige stress kan de functie van de energiefabrieken van de cel, de mitochondriën, aantasten. De energieproductie in de hersencel is dan verstoord. Terwijl deze energieproductie belangrijk is voor een goede werking van de zenuwen en de afweer in de hersenen. Om de mitochondriën in de cel te onderzoeken, moeten we het hersenweefsel op een bepaalde manier behandelen en voorbereiden om met een elektronenmicroscoop te kunnen bekijken met een hele hoge vergroting. Zodra we genoeg hersenweefsel tot onze beschikking hebben, kunnen we onderzoeken of de mitochondriën inderdaad zijn aangetast.' Neurologische biomarkers 'Door het hersenweefsel van donoren met ME/CVS te onderzoeken, hopen we meer kennis te krijgen over de oorzaak van hun neurologische symptomen. Mogelijk ontdekken we neurologische biomarkers die gerelateerd zijn aan de symptomen. De neurologische biomarkers zouden bij kunnen dragen aan het herkennen van de ziekte in een vroeg stadium en dus tot een betere diagnose kunnen leiden. Maar dat is nog wel een lange weg.' Ook gezonde hersendonoren nodig 'Om ons onderzoek goed uit te kunnen voeren, zijn wel meer hersendonoren nodig, ook van gezonde personen. Gezonde hersendonoren zijn net zo belangrijk voor het doen van goed onderzoek naar ME/CVS. Want ieder stukje hersenweefsel van een donor met ME/CVS moet worden vergeleken met eenzelfde stukje uit hetzelfde gebied van een donor zonder ME/CVS, anders weet je niet wat er verandert. De infrastructuur voor de Nederlandse Hersenbank is anders dan het landelijke donorregister voor transplantatie, daarom hebben we weinig hersenen van gezonde donoren. ' Erkenning van ME/CVS Beide onderzoekers benadrukken dat meer onderzoek naar ME/CVS als hersenziekte gewenst en hoognodig is. Correa da Silva: `Ik geloof dat ons onderzoek gaat bijdragen aan een betere diagnose van ME/CVS en daarom blijf ik gemotiveerd om hieraan te werken.´ Huitinga: `Als hoofd van de Nederlandse Hersenbank vond ik dat hier meer onderzoek naar gedaan moest worden, want de ziekte werd nog lang niet erkend. Tot nu toe zien we genoeg aanleiding om ME/CVS als hersenziekte te zien, dus ik had liever gewild dat we al veel eerder waren gestart met dit onderzoek naar veranderingen in de hersenen bij mensen met ME/CVS.´ Deze blog schreef ik voor opdrachtgever ZonMw als onderdeel van de blogreeks voor het onderzoeksprogramma ME/CVS. Dit was de laatste van de reeks, gepubliceerd in maart 2025 .
ME/CVS,ziekte,vermoeidheid,kinderen
door Ilse Bos 20 februari 2025
Bij de ziekte van ME/CVS lijkt er iets mis te gaan in bepaalde afweercellen. De stofwisseling werkt in de cel niet goed meer. Waardoor zenuwcellen mogelijk minder goed functioneren. Niels Eijkelkamp van het UMC Utrecht onderzoekt de complexe interacties tussen afweer, stofwisseling en zenuwen. Speciale aandacht gaat uit naar kinderen met ME/CVS.
door Ilse Bos 22 november 2024
Het milieu raakt steeds meer vervuild met microplastics. Dat slijtage van autobanden de op een na grootste veroorzaker is, is niet bij iedereen bekend. Slijtage van autobanden in het verkeer leidt tot milieuvervuiling van microplastics in bodem, lucht en waterwegen. Dit was een eye-opener voor Bouw- en infrabedrijf Heijmans, dat besloot een onderzoek te starten naar de afbreekbaarheid van deze microplastics uit bandenslijpsel. Met de juiste micro-organismen blijkt bandenslijpsel inderdaad deels afbreekbaar te zijn. Er komt jaarlijks door verkeer naar schatting 10.000 ton bandenslijpsel terecht in de bodem, waterwegen en in de lucht (bron: RIVM, CE Delft en TNO). De schadelijke gevolgen van deze emissies door microplastics in het milieu zijn jarenlang onderschat, geven de onderzoeksinstituten aan en ziet ook Heijmans in. Bovendien kunnen verschillende chemische middelen die aan bandenrubber zijn toegevoegd leiden tot gezondheidsrisico’s voor mens en dier. Heijmans doet een oproep aan politiek, wetenschap en industrie om te werken aan potentiële oplossingen. In 2023 startte het bedrijf zelf met het in kaart brengen van oplossingsrichtingen. Al in een vroeg stadium ging de denkrichting uit naar de mogelijkheden van biologische afbraak. Een afstudeeronderzoek verricht door Bastiaan van Stokkom, student milieukunde Avans hogeschool Breda, wees uit dat micro-organismen in de bodem ongeveer 7 procent van het rubber afbraken binnen twee maanden. Een bepaalde bacterie was in staat om zo´n 5 procent van de bandenslijpseldeeltjes af te breken. Eye-opener Jan Willem Burgmans, programmaleider biodiversiteit bij bouw- en infrabedrijf Heijmans, zegt dat ze werden wakker geschud op een symposium in 2022 van TNO. “Bermvervuiling had al geruime tijd de aandacht van ons infrabedrijf. We weten dat heel veel bermen geen riolering kennen om vervuiling te verzamelen en af te voeren naar een zuivering. Het gaat vooral om verbindingswegen en rijkswegen. We weten ook dat de toplaag van die bermen steeds meer vervuild raakt. Toch waren de onderzoeksresultaten over de negatieve impact van bandenslijpsel een eyeopener voor ons. Als makers van de gezonde leefomgeving wilden we daar wat mee. Zeker ook met het oog op de grote infrastructurele bouw-, onderhoud en renovatieopgave die ons komende jaren te wachten staat.” Keuze voor schimmel en bacterie In het uitgebrachte onderzoeksrapport in 2024 van Van Stokkom, dat via de website van het bedrijf is op te vragen, is te lezen hoe het onderzoek is uitgevoerd. Samen met Deltares, kennisinstituut voor water en bodem, is een onderzoeksplan gemaakt om de biologische afbraak van bandenslijpsel te testen. Het onderzoek spitste zich in eerste instantie toe op het selecteren van potentieel effectieve bacteriën en schimmels die rubber kunnen afbreken. Uiteindelijk viel de keuze op de bacteriestam Nocardia, die een speciaal enzym uitscheidt dat moleculen in natuurrubber afbreekt, het latex clearing protein (Lcp). Ook werd de schimmel Aspergillus niger apart getest op zijn vermogen om natuurrubber en bandenslijpsel af te breken. Ter vergelijking namen de onderzoekers ook een bodemmonster van met bandenslijpseldeeltjes vervuilde grond mee in de analyse. Deltares stelde laboratoriumfaciliteiten beschikbaar om deze drie verschillende scenario’s te testen. Het experiment liep 60 dagen lang door. We ontdekten dat de bacteriestam Nocardia het beste natuurrubber af kan breken.” Zuurstofverbruik meten Om de biologische afbreekbaarheid te bepalen, werd een bestaand Europees protocol voor de biologische afbreekbaarheid van plastics aangepast in samenwerking met Deltares. In een gesloten proefopzet kon met een respirometer aan de bovenkant van de fles het biologische zuurstofverbruik bepaald worden. Door het theoretisch zuurstofverbruik te vergelijken met het gemeten biologisch zuurstofverbruik, kon er vervolgens een schatting gemaakt worden van de biologische afbraak gedurende 60 dagen. De drukafname in de fles was hierbij leidend. Afbraak langer meten Uiteindelijk bleken de micro-organismen in het grondmonster het meest effectief in het afbreken van het bandenslijpsel: tot maximaal 6,6% was na 60 dagen afgebroken. Bovendien was er een stijgende lijn te zien in de afbraak, en de verwachting is dan ook dat het om een nog grotere afbraak zou gaan als er langer dan 60 dagen gemeten was. “Dit geeft weer hoe de diversiteit aan micro-organismen in de bodem meer verschillende enzymen uitscheiden die elkaar versterken en zo het bandenslijpsel meer volledig af kunnen breken”, aldus Stokkom. De aangetoonde afbraak door de Nocardia-bacterie lag tussen de 2,9% en 5,0% maximaal, met een dalende lijn na 60 dagen. Het afbraakvermogen van de schimmel Aspergillus niger was beperkt. Specialist microbiologie dr. Jan Gerritse, als senior wetenschapper verbonden aan Deltares, is hoopvol gestemd over de eerste onderzoeksresultaten. “We hebben nu gezien dat micro-organismen die in de bodem bandenslijpseldeeltjes tegenkomen, leren om dit gedeeltelijk af te breken. Nu moeten we onderzoeken hoeveel na langere tijd afbreekt, want met die informatie kunnen we aan oplossingen werken.” Vervolgonderzoek moet dus uitwijzen óf en hoever deze percentages verder stijgen bij langdurige blootstelling van de microplastics aan de geteste micro-organismen. Ook moet er meer bekend worden over de interacties tussen de micro-organismen onderling, en wat dit doet met de afbraak. Advies: zelfreinigende afwateringsgoot De onderzoekers raden een zogenoemde zelfreinigende afwateringsgoot aan. Deze goten vangen het bandenslijpsel af in de berm wanneer deze van de weg afspoelen met het regenwater. In deze goot kan het afstromende water dan gefiltreerd worden waar bandenslijpsel, metalen en oliën zich binden aan het filter. Maar bandenslijpsel biologisch laten afbreken is slechts een deel van de oplossing, concludeert Stokkom in het rapport. Want bandenslijpsel kan ook via emissies als fijnstof in de lucht terechtkomen, of het stroomt van het wegdek richting de bodem of het water. De deeltjes die in de lucht beëindigen breker moeilijker af, en zijn dus schadelijker voor de luchtwegen van mens en dier. Afvangen aan de bron en duurzamer produceren Daarom zijn er alternatieve oplossingen nodig waarnaar gekeken moet worden om emissies te voorkomen, in plaats van de deeltjes achteraf op te ruimen. Het zou dan ook beter zijn om bandenslijpsel af te vangen aan de bron tijdens de productie, door bijvoorbeeld gebruik te maken van het elektrostatische effect van bandenslijpsel. Of om gebruik te maken van duurzame materialen die makkelijker biologisch af te breken zijn, aldus Stokkom. Zo publiceerde Goodyear in 2023 een campagne waarin ze een auto- en vrachtwagenband produceerde, die was gemaakt van 70% hernieuwbare materialen. Ook zouden deze banden minder afhankelijk zijn van de olie-industrie. TNO noemt de ontwikkeling van duurzame autobanden in hun top 5 van meest efficiënte maatregelen tegen de vervuiling van microplastics in het milieu, naast onder andere innovaties in verpakkingsmateriaal en bewust consumeren. Dit artikel verscheen als achtergrond premium op de website van www.tw.nl
door Ilse Bos 18 november 2024
Fytosanitair onderzoek moet zieke planten buiten de EU-grenzen houden. De kans op ziekten en plagen in de landbouw en groene ruimte neemt namelijk toe door de wereldwijde handel in planten(materiaal) en het toerisme. Importinspecties, soort specifieke detectiemethoden en biologisch onderzoek moeten de risico’s indammen. De wereldwijde handel in planten en plantaardige producten neemt toe en daarmee ook het risico op plantenziektes. Ziekten en plagen in bijvoorbeeld de landbouw die meeliften met de planten, plantenbestanddelen, via substraat en verpakkingsmateriaal. Sommige planten zijn een risico voor de teelt of het openbaar groen in Nederland, of andere delen van Europa. Ook door toerisme is er een hoger risico op deze verspreiding van plantenziektes en plagen. Potentieel schadelijke organismen, zoals insecten, virussen, bacteriën en schimmels, kunnen zo de voedselveiligheid in gevaar brengen. Hygiëne voorop in het fytosanitair onderzoek Het is belangrijk dat je hygiënisch en kwalitatief goed te werk gaat met plantenmateriaal. Dat houdt het risico van introductie en verspreiding van schadelijke plantpathogene organismen zo laag mogelijk. Het uitgangsmateriaal, planten bestemd voor de consument en groene ruimte, moet vrij zijn van infecties. Importeurs van plantmateriaal, zoals bloemisten en telers, voorkomen zo dat er verontreinigingen ontstaan in vervolgstappen tijdens het werken met dit materiaal. Met welke technieken detecteer je schadelijke organismen? Biologische screening van schadelijke organismen helpt bij het uitvoeren van goed fytosanitair onderzoek . Het ontwikkelen van efficiënte detectiemethoden voor het opsporen van de schadelijke micro-organismen is daarom onderdeel van fytosanitair onderzoek. Te denken valt aan een DNA-test als een Polymerase Chain Reaction (PCR) en/of sequencing of detectie op basis van eiwitten met een enzyme-linked immunosorbent assay ( ELISA ). Het gaat er vooral om de gevaarlijke organismen tijdig in beeld te krijgen. Daar zijn dus specifieke detectiemethoden voor nodig vanuit het laboratorium, zoals de stichting Bloembollenkeuringsdienst BKD in huis heeft. Bestrijding en monitoring in fytosanitair onderzoek De Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (nVWA) en de keuringsdiensten voeren een fytosanitair inspectieprogramma uit in alle schakels van de plantaardige productieketens. Met name bij de import van plantmateriaal zijn nauwkeurige inspecties vereist. De Nederlandse overheid heeft de internationale plicht om de garantie af te geven dat plantaardige producten op het moment van export voldoen aan de fytosanitaire eisen van het land van bestemming en vrij zijn van schadelijke organismen. Als blijkt dat het plantaardige product in het land van bestemming niet voldoet aan de eisen, dan wordt het product afgekeurd en vernietigd of teruggezonden en ontvangt Nederland een notificatie. Meer over fytosanitair onderzoek, do´s en dont´s en tips en valkuilen, zijn te lezen op de website van LabInsights, www.labinsights.nl 
door Ilse Bos 3 november 2024
Door extreem noodweer in het Oosten van Spanje is het dodental inmiddels gestegen tot boven de 200. Talrijke mensen zijn nog vermist. Door de overstromingen zijn bruggen, spoorlijnen en wegen weggevaagd in Valencia. De Spaanse premier Pedro Sánchez heeft drie dagen van nationale rouw afgekondigd. De oorzaak ligt bij de botsing van warme lucht van de Middellandse Zee tegen koudere lucht afkomstig van de Atlantische Oceaan, een bekend weerfenomeen. Het noodweer in Spanje begon op 28 oktober in de zuidoostelijke provincie Almería. In het plaatsje El Ejído vielen hagelstenen zo groot als golfballen uit de lucht. In Chiva, een dorpje ten westen van de stad Valencia, viel minstens 45 centimeter regen. Meer dan honderd voertuigen en meerdere woningen raakten beschadigd. Het Spaanse persbureau EFE meldt dat het dodental inmiddels is opgelopen naar 205 (op 3 nov), 1.200 mensen zitten nog vast op de wegen rondom Valencia en talrijke worden vermist. De oorzaak van de totale misère is het weerverschijnsel Dana, lokaal ook wel bekend als gota fria. Toch lijkt dit de ernstigste ramp ooit te worden in Oost-Spanje. En nog houden stortregens aan in sommige delen van Andalusië. Koudeval De extreme neerslag is het gevolg van gota fria ofwel koudeval, een berucht weerfenomeen dat het zuidoosten van Spanje vaker treft tijdens het herfstseizoen. De warme lucht van de Middellandse Zee botst dan op de koudere luchtinvasie, die afkomstig is vanuit de poolgebieden. Dit leidt tot wat meteorologen vroeger een ”afsluitsysteem” noemden, met lagedrukwaarden die een paar dagen aanhouden en over het betreffende gebied roteren, is te lezen in het nieuwsbericht van de World Meterological Organization. Het had ook gevolgen voor het noodweer in Zuid-Frankrijk begin oktober, en zal steeds vaker voorkomen volgens meteorologen. Volgens meteoroloog Reinier van den Berg spelen ook de bergen in het Spaanse binnenland mee. ´Door de bergrug in het binnenland worden die buien als het ware tegengehouden en groeien ze steeds op dezelfde plek aan. En dan kun je inderdaad een situatie krijgen dat er wel heel veel regen valt´, laat hij weten aan EenVandaag. Waarschuwingssystemen Van den Berg zegt dat er veel Spanjaarden zijn getroffen die onderweg waren met de auto.´Doordat die wegen in rivieren veranderen, hadden die automobilisten geen kans om nog weg te komen.´ Hij benadrukt daarom het belang van waarschuwingssystemen met kleurcoderingen, dat had in dit geval scherper en eerder gemoeten in Spanje. AEMET is in Spanje de officiële bron van gezaghebbende waarschuwingen en heeft talloze waarschuwingen afgegeven in het kader van het Common Alerting Protocol. Zo was er op 1 november op het hoogste niveau rood alarm van kracht voor de provincie Huelva, in het zuidwestelijke puntje van Spanje dat ook werd getroffen door hevige regenval. Cartaya had bijvoorbeeld 117 liter regenwater per vierkante meter in minder dan 3 uur te verwerken. Modderstromen Doordat Spanje een land is dat gebieden kent met veel gebergtes, kan het water minder makkelijk weglopen. ´Daar waar je bergen hebt en dus ook beken en rivieren, valt al die zware regen niet alleen boven een beek maar ook in de bergen eromheen dat vervolgens in dezelfde beek terechtkomt. Zo’n beekje kan dan weer een gigantische modderstroom worden´, zegt Van den Berg tegen EenVandaag. Omleg rivier Turia na ramp 1957 De ramp lijkt de ernstigste te worden sinds het begin van de metingen. De dodelijkste gota fria in de geschiedenis was die in 1957, meldt de Volkskrant. Toen vielen volgens de officiële cijfers zeker 81 doden (volgens de Spaanse wikipediapagina) te betreuren, hoewel het werkelijke aantal mogelijk veel hoger lag. Die overstroming was aanleiding voor de Spaanse overheid om de rivier de Turia om te leggen, zodat ze niet meer door het centrum van de stad Valencia zou stromen. Dankzij deze eerdere beslissing bleef de schade beperkt in Valencia zelf bij deze nieuwe ramp. Dit artikel verscheen als een van de 9 actuele nieuwsberichten van de wekelijkse nieuwsbrief Waterforum, voor de watersector, op www.waterforum.net Elke 3 weken maak ik deze nieuwsbrief. Kijk voor al mijn artikelen in het portfolio van Waterforum .
douchekop
door Ilse Bos 31 oktober 2024
Steeds meer bestaande woningen worden aangesloten op warmtenetten als alternatief van aardgas. Die warmte kan zelfs afkomstig zijn van opgewarmd gezuiverd rioolwater.
Laborant met een pipet in de hand
door Ilse Bos 8 maart 2024
Patiënten met ME/CVS hebben vaak dezelfde klachten als mensen met andere postinfectieuze aandoeningen, zoals post-COVID, Q-koortsvermoeidheidssyndroom of de ziekte van Lyme. Daarom is het slim om ook naar deze ziektebeelden te kijken als we ME/CVS beter willen begrijpen.
Fysieke inspanning leidt tot klachten bij ME/CVS, ook wel Post- Exertionele Malaise genoemd.
door Ilse Bos 1 februari 2024
Bij veel aandoeningen heeft bewegen een positief effect, maar bij mensen met de ziekte ME/CVS is er iets bijzonders aan de hand. Bij hen leidt inspanning tot een verergering van de ME/CVS-klachten. Waarom dit zo is, is nog onduidelijk. Daarom gaan Inge Zijdewind en Leda Maffei, onderzoekers van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), dit onderzoeken. Mensen met de ziekte ME/CVS hebben klachten die afwijken van andere ziektes met vergelijkbare symptomen zoals auto-immuunziektes. Om de diagnose ME/CVS te krijgen, moet er niet alleen sprake zijn van chronische vermoeidheid, maar ook een verergering van de klachten na cognitieve of fysieke inspanning – ook wel post-exertionele malaise (PEM) genoemd. Er treedt vertraagd of geen herstel op. Hoe erg de klachten zijn, verschilt per persoon. Wat we al weten, is dat verschillende orgaansystemen ontregeld zijn bij de ziekte ME/CVS. Welke dat zijn en welke oorzaken meespelen, willen Inge Zijdewind en Leda Maffei gaan onderzoeken de komende jaren. Dat doen ze binnen het door ZonMw gefinancierde project ‘ Post-exertionele malaise”, een startpunt om ME/CVS te bestuderen en te begrijpen ’. De resultaten van het onderzoek moeten helpen te begrijpen welk effect verschillende activiteiten hebben en hoe deze de klachten kunnen verergeren. Veel klachten van verschillende organen Inge Zijdewind vertelt: ‘Wat we tot nu toe weten, is dat de ziekte de werking van verschillende organen in het lichaam aantast en dat niet bij elke patiënt een gelijk klachtenpatroon optreedt. Bij veel patiënten met ME/CVS neemt bijvoorbeeld de hartfrequentie sterk toe bij het opstaan. Ook zien we dat veel mensen last hebben van spierklachten of van ‘ hersenmist’, ofwel ‘ brainfog’ . Daarom willen we de klachten van verschillende orgaansystemen in het lichaam meten. Zo willen we het verband tussen de klachten in de orgaansystemen bij verschillende patiënten met PEM in kaart brengen en verder begrijpen.’ Van start met 50 patiënten ‘We beginnen het onderzoek in april 2024 met 100 proefpersonen, waarvan 50 patiënten en 50 personen als controle met een gelijke levensstijl. We vragen hen om 2 keer langs te komen, voor elk 2 aansluitende dagen met experimenten. Op dag 1 doen we bloedafnames en zijn er inspannende activiteiten, zowel lichamelijk als mentaal. Ook vragen we deelnemers vragenlijsten in te vullen over hun klachten. 'De eventuele klachten van vermoeidheid, en de lichamelijke en mentale gezondheid van de deelnemers meten we ook weer op de volgende dag. We meten daarvoor onder andere bloeddruk, aansturing en doorbloeding van spieren, en ook het vermogen om de aandacht en concentratie te richten op een bepaalde taak. Alle metingen van dag 2 (als de ME/CVS-klachten zijn toegenomen) vergelijken we dan met dag 1. Opnieuw bloed afnemen is ook belangrijk om te meten of er andere stoffen in het bloed aanwezig zijn dan de dag ervoor. ‘Een maand later herhalen we de 2 experimentdagen, maar dan worden de taken uitgevoerd in een MRI-scanner. Hierbij kijken we naar de doorbloeding in verschillende hersengebieden die betrokken zijn bij het uitvoeren van diverse taken. We vergelijken de doorbloeding in deze hersengebieden op de tweede dag met de eerste dag. Met onze onderzoeksopzet kunnen we veranderingen in verschillende orgaansystemen van het lichaam meten na een inspannende taak, en deze in verband brengen met de verandering van symptomen van PEM.’ Lees verder op de website van ZonMw , waar ik het artikel voor schreef als onderdeel van een blogreeks vanuit de onderzoekers van het ME/CVS onderzoeksprogramma .
door Ilse Bos 3 december 2021
We moeten sneller weten op welk antibioticum een patiënt reageert, vinden onderzoekers van de UGent. MALDI-TOF, bioinformatica en machine learning vormen het antwoord. ‘We moeten heel veel meten en een enorme dataset aanleggen.’
Lees meer
Share by: